* de verbreiding naar nieuwe geografische gebieden van religies die elders reeds waren gevestigd (zoals een aantal oosterse religies naar Amerika en Europa, de pinksterbeweging, de Kerk van Jezus Christus van de heiligen der laatste dagen en Jehovah's Getuigen van de Verenigde Staten naar Zuid-Amerika en Europa, de santeria van Cuba naar de Verenigde Staten en landen van Midden-Amerika, en de umbanda van Brazilië naar Uruguay, Paraguay, Argentinië, Chili en, in mindere mate, naar de Verenigde Staten en Europa);
* de "revival" van de gevestigde religies (zoals bij de charismatische reformaties in evangelische groeperingen en het katholicisme, de opkomst van spiritualistische katholieke groeperingen enz.); en
* de opkomst van een verscheiden en ongecentraliseerde spirituele
subcultuur (aangeduid met de naam "New Age").